Pensioendossier

Auteur

Gepubliceerd op 09-05-2019

De invoering van een gemengd pensioen, de vervroegde facturatie van de responsabiliseringsbijdrage, een extra financieringsbron voor de lokale overheidspensioenen: het zijn slechts enkele van de recente wijzigingen aan het lokale pensioenstelsel. Een overzicht.

Gemengd pensioen

Wie sinds 1 december 2017 statutair aangesteld werd bij een overheid (dus ook bij een lokaal bestuur), krijgt later een zogenaamd gemengd pensioen. Alleen de jaren gepresteerd als statutair zullen nog recht geven op een overheidspensioen. De andere beroepsjaren leveren een werknemerspensioen op, als de betrokkene als contractant aan de slag was. Dit betekent een belangrijke breuk met het verleden, toen ook jaren als contractant onder bepaalde voorwaarden recht gaven op een overheidspensioen. De proeftijd met het oog op de aanstelling in statutair dienstverband wordt ook beschouwd als een vaste benoeming. Voor de lokale besturen, die helemaal zelf instaan voor de financiering van de statutaire pensioenen, zou dit op termijn een verlichting van de factuur moeten betekenen. Volgens een berekening van minister van Pensioenen Bacquelaine zou het gaan om een besparing van 1,8 miljoen euro in 2018, 3,4 miljoen euro in 2019, van 5,2 miljoen euro in 2020 en 7,1 miljoen euro in 2021 (Belgische cijfers). Ter vergelijking: de voor Vlaamse lokale besturen betaalde statutaire pensioenen bedroegen in 2016 ruim 1,5 miljard euro. Zeker de eerste jaren blijft de financiële impact van de invoering van een gemengd pensioen dus eerder beperkt.

De invoering van het gemengd pensioen ging gepaard met twee andere ingrepen: de loopbaanvoorwaarde van vijf jaar om een overheidspensioen te genieten werd geschrapt en de regularisatiebijdrage die besturen bij een laattijdige benoeming hadden moeten betalen om het verschil in pensioenbijdragen te compenseren, verdween eveneens.

Extra financiering

Vanaf 2018 en zeker tot 2020 krijgt het pensioenstelsel van de lokale besturen jaarlijks 121 miljoen euro extra middelen. Die zijn, in tegenstelling tot wat hier en daar werd beweerd, niet afkomstig uit de Schatkist, maar van de lokale besturen zelf. Het gaat om de opbrengst van de zogenaamde loonmatigingsbijdrage die lokale besturen betalen op de lonen van de statutaire medewerkers. Tot eind vorig jaar ging dat geld naar de algemene sociale zekerheid, nu komt het de financiering van de lokale overheidspensioenen ten goede. Daarmee kwam de federale overheid tegemoet aan een jarenlange vraag vanuit de lokale besturen en hun Verenigingen.

Snellere betaling responsabiliseringsbijdrage

Sinds 2012 zijn sommige lokale besturen, naast de basisbijdrage op de lonen van hun statutaire werknemers, ook een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd. Dat is het geval als de opbrengst van de basisbijdrage kleiner is dan de pensioenlasten van ex-statutaire medewerkers van het bestuur. De berekening van de definitieve responsabiliseringsbijdrage gebeurt telkens in september van het daaropvolgende jaar, en de betaling moest tot nu toe gebeuren in december. Dat systeem begon stilaan te leiden tot een thesaurieprobleem bij het pensioenstelsel, en daaraan wordt nu een mouw gepast. In mei van dit jaar kregen de besturen die voor 2016 (berekening september 2017) een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd waren, een factuur van één twaalfde van 118% van die bijdrage. De factuur moest betaald worden in juni. Zo zijn er dit jaar vijf facturen gepland. In september 2018 volgt de definitieve berekening van de responsabiliseringsbijdrage van 2017. In november en december moeten de besturen dan telkens de helft van het verschil betalen tussen die bijdrage enerzijds en de al betaalde voorschotten anderzijds. Het gaat in Vlaanderen om 109 gemeenten, 80 OCMW's, drie politiezones, negen hulpverleningszones en verder een aantal ziekenhuizen, autonome gemeentebedrijven, OCMW-verenigingen en intercommunales.

In 2019 zullen de besturen die over 2017 een responsabiliseringsbijdrage kregen aangerekend, vanaf januari tot en met oktober telkens een voorschot moeten betalen. Dat zal één twaalfde bedragen van die responsabiliseringsbijdrage, verhoogd met een nog te bepalen groeipercentage. In november en december volgt dan opnieuw een afrekening op basis van de werkelijk voor het jaar 2018 verschuldigde bijdrage. De jaren nadien is het de bedoeling om de effectieve betalingen stilaan verder naar voor te schuiven, zodat de voorschotten uiteindelijk helemaal in het jaar zelf worden betaald. Het tempo waartegen dit gebeurt, moet nog bij Koninklijk Besluit worden vastgelegd.

Bonus voor tweede pensioenpijler

Zowat alle Vlaamse lokale besturen hebben intussen enkele jaren ervaring met een tweede pensioenpijler voor hun contractuele medewerkers. Ook de federale en regionale overheden beginnen daar nu werk van te maken. 
Om dit systeem aan te moedigen heeft de federale overheid beslist om een financiële bonus te creëren met een korting op de responsabiliseringsbijdrage. Dat zou de eerste keer gebeuren in 2020, toegepast op de responsabiliseringsbijdrage voor het jaar 2019. Voorwaarde is wel dat het bestuur in 2020 ten minste een bijdrage van 2% toepast voor het aanvullende pensioen, en vanaf 2021 ten minste 3%. Voor aanvullende pensioenstelsels met een systeem van vaste prestaties gelden aangepaste minimumpercentages. De korting op de responsabiliseringsbijdrage bedraagt ten minste 50% van de bijdrage voor de tweede pijler.

Bij dit bonussysteem passen twee belangrijke opmerkingen. Ten eerste wordt deze korting niet gefinancierd door extra middelen vanuit de Schatkist, maar door de lokale besturen zelf, nl. zij die geen korting op de responsabiliseringsbijdrage genieten. Het gaat dus om een herverdeling tussen de lokale besturen. Ten tweede is er geen bonus voor lokale besturen die alleen een basisbijdrage voor de pensioenen betalen (en geen responsabiliseringsbijdrage), ook al passen zij voor hun aanvullende pensioenen een voldoende hoog percentage toe.

Reserves ex-Pool 1

De meeste Vlaamse lokale besturen behoorden tot de wet van 2011 tot de zogenaamde ‘Pool 1’ van het omslagstelsel. Binnen die Pool werden jarenlang reserves opgebouwd doordat de bijdragen hoger lagen dan de pensioenuitgaven. Die reserves komen uiteraard toe aan de betrokken besturen, en dat gebeurt onder de vorm van een korting op de basisbijdrage. Voor de jaren 2016 en 2017 ging het om 3,5%, voor 2018 en 2019 ligt de korting op 3%. Eind 2017 bevatte dit reservefonds nog 364 miljoen euro.

Op 28 mei 2018 heeft het Beheerscomité Pensioenen Provinciale en Plaatselijke Besturen, waarin ook de VVSG vertegenwoordigd is, een positief advies gegeven over een Koninklijk Besluit dat ook voor de jaren 2020 tot en met 2023 het kortingspercentage vastlegt op 3%. Voor de betrokken besturen betekent dit een niet onbelangrijke verlichting van de pensioenfactuur. Voor 2016 ging het bijvoorbeeld voor de Vlaamse gemeenten om een korting van ca. 19 miljoen euro, en voor de Vlaamse OCMW’s om 11 miljoen euro.

Gemeente-OCMW

Er bestaat vandaag nog geen oplossing voor de pensioengevolgen wanneer gemeenten en OCMW’s in het kader van de toenemende integratie tussen beide besturen (cf. decreet lokaal bestuur) statutaire medewerkers naar elkaar overdragen. De VVSG heeft al voorgesteld om het via een wetswijziging mogelijk te maken dat gemeente en OCMW er onherroepelijk voor kunnen kiezen om de pensioenlasten te globaliseren, en dus als één bestuur beschouwd te worden. Enkele besturen die later tot het gesolidariseerd pensioenfonds van de lokale besturen zijn toegetreden, passen dit al toe. De VVSG blijft erop aandringen om dit te veralgemenen.

Fusies

Op 1 januari 2019 ontstaan in Vlaanderen zeven nieuwe gemeenten en zeven nieuwe OCMW’s, die in de plaats komen van vijftien bestaande gemeenten en OCMW’s. De meeste van die besturen waren vroeger aangesloten bij de zogenaamde Pool 1. De reserves van Pool 1 worden, tot ze op zijn, jaarlijks gebruikt om aan die besturen een korting toe te kennen op de basisbijdrage (supra). In principe hebben nieuwe lokale besturen (bv. een nieuw autonoom gemeentebedrijf of een nieuwe zorgvereniging) hier geen recht op. In het geval van een fusie ligt dat echter anders, want de fusiebesturen zijn de rechtsopvolgers van de bestaande gemeenten en OCMW’s, die ook volledig verdwijnen. De VVSG blijft ervoor ijveren dat deze reserves de fusiegemeenten ten goede blijven komen.

Marijke De Lange